
Duitse gesneuvelden in Castenray
Castenray | Begin november 1944 waren enkele Duitse soldaten op een regenachtige dag op het kerkhof in Castenray bezig vijf graven te delven. Nadat ze de in een legerdeken gewikkelde lichamen van de gesneuvelden in de graven hadden gelegd en de graven weer hadden dichtgegooid, plaatsten ze een houten kruis op elk graf met daarop de helm van de gevallene. Even bleven ze devoot bij elk graf staan, brachten de militaire groet en verlieten in langzame tred het kerkhof, alsof het hen moeilijk viel afscheid te moeten nemen van de mannen die in dienst van hun land het leven hadden gelaten. Ze klopten het zand en de modder van hun laarzen en uniform en vertrokken, hun kameraden alleen in hun graf achterlatend. De vijf soldaten, vijf jonge mannen in het nog prille begin van hun leven, hadden hun leven gelaten nabij Castenray.
Eerder waren op het Castenrayse kerkhof al twee graven gedolven voor Obergefreiter Ernst Fischinger, die op 21 oktober 1944 in Castenray overleden was en voor Obergefreiter Max Kirchholtes, die een dag later in Castenray aan zijn verwondingen bezweek. Beide soldaten mochten slechts 22 en 21 jaar jong worden. Zij waren het slachtoffer van een noodlottig ongeval. Op 21 oktober 1944 waren Duitse soldaten midden in Castenray een met mijnen geladen vrachtwagen aan het lossen. Ze brachten de mijnen een eind verder weg en stapelden ze vlakbij het boerenbondsgebouw op. Door een onhandigheid van een van de mannen viel een op scherp gestelde mijn op de grond en ontplofte.
Fischinger werd dodelijk getroffen en Kirchholtes was zwaar gewond. Zij stonden dicht bij de ontplofte mijn. Enkele anderen waren licht en zwaar gewond, maar overleefden. De gewonden werden op bossen stro gelegd en verzorgd waar het Duitse lazaret was opgezet. Daar werden in die dagen veel zwaargewonde Duitsers aangevoerd vanuit de fronten in Overloon en Veulen. De hard werkende Duitse dokters en zusters konden niet alle soldatenlevens redden. Er stierven er dagelijks.
Toon Kuijpers was ooggetuige, toen hij op een zondagmorgen uit de kerk kwam en weer een lading gewonden werd aangevoerd. De rode kruis soldaten namen de gewonden op en droegen ze, bij gebrek aan brancards, op de schouder in café Jakobs, naar binnen. Daar werden ze op het stro gelegd. "De gewonden zaten van kop tot teen onder het bloed, het was niet om aan te zien. Sommigen waren bewusteloos, terwijl anderen het uitschreeuwden van de pijn, toen ze werden opgepakt. Enkele anderen keken wezenloos in het rond. Hun ongeschoren, ongewassen, wilde gezichten, kwamen mij onwezenlijk voor. Ik stond er met enkele andere jongens naar te kijken en huilde van medelijden met deze arme kerels, die onmenselijke pijnen moesten lijden. Op een gegeven ogenblik werd een jonge soldaat binnengebracht met een bloederig been. De rode kruis soldaat legde de stakker op het stro en legde bij het bloedende been een schoen neer, waarin de voet van de soldaat nog zat. Volledig afgerukt van zijn been."
De gesneuvelden werden normaal afgevoerd naar een centrale begraafplaats, maar gedurende de laatste dagen van de oorlog was daartoe geen mogelijkheid meer. Daarom werden de vijf gesneuvelden begraven op het kerkhof van Castenray. Samen met de twee eerder begraven soldaten lagen ze in een rij rechts naast de ingang van het kerkhof in ongewijde grond begraven.
To Keijsers, ongeveer een kilometer van de Castenrayse kerk wonend, vertelde dat de Duitsers met een door een paard getrokken kar met vijf gedode Duitse soldaten naar Castenray gingen. Ze hadden de kar bij hen in de schuur gezet en daar bleef ze enige tijd staan. Het was verschrikkelijk om aan te zien hoe het bloed van de kar droop. Ze kon zich nog herinneren dat haar broer Piet het paard voor de kar moest spannen en ermee naar het kerkhof in Castenray was gereden, waar de vijf soldaten werden begraven. Voor hen waren begin november 1944 de vijf graven gedolven. De vijf gesneuvelden waren Feldwebel Siegfried Zimmermann, Gefreiter Kurt Weber, Unteroffizier Helmut Rabenhorst, Gefreiter Joachim Knetsch en Feldwebel Josef Herber. Zij waren allen op 30 oktober gesneuveld en werden respectievelijk slechts 26, 18, 25, 18 en 22 jaar. Op 17 januari 1946 werden de zeven mannen opgegraven en overgebracht naar Venray, van waaruit ze enkele jaren later op hun definitieve rustplaats zijn bijgezet op de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn. De graven zijn genummerd en de zeven Duitse soldaten die in Castenray op het kerkhof begraven waren, liggen in Ysselsteyn gebroederlijk naast elkaar. Hun graven zijn daar bekend onder de nummers Vak H Rij 10 graf 242 t/m 248.
Rond 25 november 1944 werden ook twee evacués uit Vierlingsbeek in Castenray op het kerkhof begraven. Het Castenrayse Liber defunctorum, het dodenregister, vermeldt hierover: 'Furore bellico defundi sunt intra lémiter paroeciae et sepulti in nostro coermiterio: Albert van Heijster ex. Vierlingsbeek; Jan Creemers ex. Vierlingsbeek.'
Beide inwoners uit Vierlingsbeek waren tijdens de bevrijding in november 1944 via Castenray op weg naar huis. Ze werden dodelijk getroffen door Duits granaatvuur en in Castenray begraven. Op 20 april 1945 werden hun stoffelijke resten opgegraven en overgebracht naar Vierlingsbeek.





