
Terugtocht door een spookdorp
Castenray | Om een beeld te geven hoe het er in Castenray ten tijde van de bevrijding uitzag, het relaas van Harrie Beckers uit Overloon. Hij vertelde zijn oorlogservaringen, die hij opdeed tijdens de evacuatie in het najaar van 1944. Hij schetst een beeld van het dorp Castenray, hoe dat er uitzag op de dag dat het dorp bevrijd werd, 23 november van dat jaar, toen hij door Castenray trok op weg naar huis.
"We hebben in Meerlo gezeten tot 23 november 1944. Toen we hoorden dat de bevrijders onze richting uitkwamen, hebben we ons boeltje gepakt en zijn we op weg gegaan naar huis. Dat dachten we tenminste. We liepen naar de buiten haar oevers getreden Molenbeek. In een houten kuip werden de kinderen, dus ook wij, aan een touw over de beek getrokken. Dat gebeurde bij een huis bij Elshout. Het was een huis met lichtgekleurde strepen van gemetselde stenen en een Engelse kap. Het huis stond er later nog en was vanaf de weg naar Tienray duidelijk zichtbaar. Telkens als ik over die weg kwam, keek ik naar dat huis en herinnerde me dat gebeuren op 23 november 1944. Via Klein Oirlo kwamen we in de buurt waar de Strijbossen wonen. Daar zaten in een open ‘schop’, ik dacht een drietal, Engelse soldaten. We zagen aan de uniformen dat het geen moffen waren. We verstonden geen woord van wat ze zeiden, wat hadden die een raar taaltje en wat spraken ze snel, dacht ik nog. We liepen verder en kwamen in Castenray bij de kerk. Ik kan me nog precies de situatie rond de kerk voor de geest halen. Toen we in Meerlo vertrokken, waren we nog slechts met een klein aantal mensen. In Castenray was de groep inmiddels tot vijftig of meer personen aangegroeid. Het dorp leek een spookdorp. Geen levend wezen te bekennen, geen hond of kat op straat. Het dorp lag er haveloos bij. Veel huizen waren licht of zwaar beschadigd. Kapot geschoten deuren en ramen hingen open, waaruit dan hier en daar flarden gordijn naar buiten waaiden. De kerk was totaal vernield. Dikke zware bomen lagen links en rechts van de weg. Weggeschoven door de voorposten van de geallieerden, die de weg vrij maakten voor de hoofdmacht. Er kwam een Engelse gevechtswagen met militairen uit de richting Venray.
Plotseling hoorden we granaatvuur. Was dat granaatvuur? Het klonk anders dan wat we gewend waren. Het was echt granaatvuur. Het bleek Duits granaatvuur te zijn. Een ander geluid, een andere inslag, maar even dodelijk. Er brak enige paniek uit. Iedereen dacht aan zijn eigen hachje en aan zijn eigen familie. Granaatscherven sloegen tegen de woningen en boorden zich in het hout van de bomen. Het was een hels spektakel en we werden allemaal doodsbang. Ik herinner me nog dat granaatscherven tegen een waterput uiteenspatten. Iedereen zocht een veilig heenkomen in de kelders van de omliggende zwaar gehavende gebouwen.
Mijn moeder trok mij de kelder in van café Van Rhee, het Jagershuis, waarin zoals ik me herinner, toen een biljart stond. Dat café, waarin thans een Chinees de kost verdient, gaf ons onderdak en veiligheid. Ik zal de gebeurtenissen in die kelder nooit vergeten. De angstige gezichten die boekdelen over onzekerheid spraken. Het ene Weesgegroetje na het andere.
Sommige mensen huilden van angst en riepen: "Is dit onze bevrijding?" en baden in hun angsten verder. Het gedonder van de inslaande granaten, de kruitdamp die ons tot hoesten aanzette. De een moest plotseling plassen, de ander nog meer, alles van angst. Weer baden we - nu een oefening van berouw - want het kon wel eens ons laatste levensuur zijn. Op de trap zag ik een oudere man staan die een vierkante wandelstok in zijn hand hield en die ons vertelde dat we weg moesten, maar wel heel voorzichtig moesten zijn. Mijn moeder zei echter steeds maar weer dat we moesten blijven waar we zaten. In de kelder immers waanden we ons veilig tegen dat Duitse granaatvuur. Toen het buiten rustig was geworden, zijn we uit onze schuilplaatsen tevoorschijn gekomen. Uit alle huizen rondom de kerk kwamen mensen tevoorschijn. Wat schetst echter onze verbazing. Heel het dorp stond inmiddels vol geallieerd oorlogsmateriaal. Voertuigen en wapens die we nooit eerder hadden gezien. Soldaten in geheel andere uniformen dan we gewend waren, vriendelijk, onverstaanbaar, sigaretten en ‘tjoklat' uitdelend. In het dorpje Castenray heb ik de eerste bevrijders gezien, die ons chocolade gaven, terwijl de grote mannen sigaretten kregen, Engelse sigaretten. Wat een weelde en waar onze zenuwachtige moeders verwend werden met de eerste sneeuwwitte mik en bloedrode jam. Ik zal dat mijn hele leven niet vergeten."